![]() |
| Poleninfo.net - Uw informatie site over Polen met nieuws, links en een Polen forum - |
|
![]() |
Blijkens archeologische vondsten in het Poolse merengebied moet het land al sinds ca. 700 v.C. bewoond zijn geweest. In de eerste eeuwen n.C. was Polen, althans ten westen van de Weichsel (Wisła), door de Germanen bevolkt; op hun zwerftocht naar het zuiden zijn de Goten en Vandalen door Polen getrokken. Tegelijkertijd begonnen de Slaven van het oosten uit het land binnen te dringen; tegen het einde van de Grote Volksverhuizing hadden zij het geheel ingenomen.
De Piasten |
Kazimierz I, bijgenaamd Restaurator (Pools: Odnowiciel) (1016 – 28 nov. 1058), hertog van Polen sedert 1034, als zoon van Mieszko II, werd in 1037 door de adel verdreven, maar kon in 1041 met hulp van de Duitse keizer Hendrik III de macht heroveren. Hij herkreeg in 1054 het in 1038 door Bohemen veroverde Silezië. Kazimierz II , bijgenaamd de Rechtvaardige (Pools: Sprawiedliwy) (1138 – 5 mei 1194), groothertog van Polen sedert 1177, verwierf zijn troon door verdrijving van zijn broer Mieszko III.
Kazimierz III, bijgenaamd de Grote (Pools: Wielki) (Kowal of Kraków 30 april 1309 – Kraków 5 nov. 1370), koning van Polen sedert 1333, uit het Huis der Piasten, zoon van Wladyslaw IV Lokietek, gaf de strijd met de Duitse Orde en Bohemen op (waardoor resp. Pommeren en Silezië verloren gingen), maar begon in het oosten een lange strijd met Litouwen om Klein-Rusland (verkreeg 1352 Lvov, Halicz, 1366 Volhynië-Vladimir) en de weg naar de Zwarte Zee.
Kazimierz IV (Kraków 30 nov. 1427 – Grodno 7 juni 1492), koning van Polen van 1447 tot 1492, tweede zoon van Jagiello, regeerde tijdens zijn broer en voorganger Wladislaw III als grootvorst in Litouwen.
Kazimierz de Heilige (Kraków 5 okt. 1458 – Grodno 4 maart 1484), zoon van koning Kazimierz IV, werd in 1471 door Hongaarse magnaten, tegenstanders van Matthias Corvinus, tot koning van Hongarije gekozen, maar kon als zodanig niet optreden.
|
De opvolger van Kazimierz III, Lodewijk van Anjou (1370 -1382), was tegelijk koning van Hongarije. Hij moest de adel bij het Verdrag van Kosice grote privileges toekennen (1374). Na Lodewijks dood werd zijn dochter Jadwiga in 1384 tot 'koning' van Polen gekroond. Door haar huwelijk met grootvorst Jagiello van Litouwen (= Wladyslaw II) kwam een personele unie tussen beide landen tot stand (1386). Polen werd daardoor bijna viermaal zo groot. Het omvatte nu ook Oekraïne, Podolië, delen van Rusland, enz., terwijl Bessarabië Moldavië en Walachije vazalstaten werden. Economisch belangrijk was het vrijkomen van de weg naar de Zwarte Zee. Een ongunstige factor was echter dat een groot deel van de nieuwe onderdanen tot de Russisch-Orthodoxe Kerk behoorde, wat een bron van onrust en conflicten zou worden. Intussen breidde Polen zich ten koste van de Duitse Orde naar de Oostzee uit. Bij de tweede Vrede van Thorn (Torun 1466) kwam Pommerellen met Danzig (Gdansk) en een groot deel van Pruisen bij Polen. Voor de rest van Pruisen moest de Duitse Orde de Poolse leenhoogheid erkennen. Kazimierz IV, die dit succes behaalde, wist ook zijn zoon als koning van Bohemen en Hongarije te doen erkennen. Intussen stond de adel door zijn machtsstreven en egoïsme een gezonde politieke en economische ontwikkeling in de weg. Polen was sinds de troonsbestijging van de Jagiellonen een kieskoninkrijk geworden. Wel volgde steeds een telg uit de eenmaal heersende dynastie op, maar adel en geestelijkheid, die officieel het kiesrecht hadden, namen een steeds sterkere positie in en matigden zich steeds meer rechten en vrijheden aan. In de tweede helft van de 15de eeuw ontstond de Poolse landdag (Sejm), bestaande uit de koning, een Senaat, die gevormd werd door de magnaten, en een Kamer, die samengesteld werd door de afgevaardigden van de provinciale landdagen, waarin alleen de landadel (szlachta) zitting had. Aan de stedelijke bloei kwam sinds de 15de eeuw een eind. De burgerij ging in betekenis achteruit en verwierf ook geen aandeel in het landsbestuur. Via van de koning afgedwongen privileges werden daarentegen de landdagen steeds machtiger. Geleidelijk ging de szlachta het politieke toneel beheersen. Bij het statuut van Petrikow (1496) en de constitutie van Radom (1505) werden de rechten van de adel zeer uitgebreid; de boeren werden in 1496 aan de grond gebonden en werden daardoor tot lijfeigenen. In de 16de eeuw werd de strijd met Moskovië een belangrijk element in de Poolse geschiedenis. Ondanks het feit dat door het wegvallen van de burgerij als machtsfactor, door de definitieve organisatie van de horigheid van de boeren (wet van 1511) en door de toenemende veronachtzaming van het nationale belang van de zijde van de adel de hiervoor geschetste euvelen steeds ernstiger werden, geldt de 16de eeuw als de gouden eeuw van Polen. |
Sigismund I, bijgenaamd de Oude (1 jan. 1467 - Kraków april 1548 ), koning van Polen van 1506 tot 1548, uit het Huis Jagiello, was de jongste zoon van Kazimierz IV. Hij had te kampen tegen het Russische gevaar enerzijds, tegen Pruisen en de Duitse Orde anderzijds (zijn neef Albrecht van Brandenburg was hoogmeester; deze verbond zich met Maximiliaan van Oostenrijk en zelfs met Vasili van Moskou tegen Polen). In 1515 kwamen Sigismund en zijn broer, Wladyslaw van Hongarije en Bohemen, tot een verzoening met Maximiliaan, waarbij de laatste afzag van aanspraken op de Hongaarse troon en zijn steun aan de Orde introk. Tien jaar later onderwierp de inmiddels protestant geworden Albrecht zich aan Sigismund en werd de Orde geseculariseerd. Sigismund sloot in 1522 een wapenstilstand met Moskou, in 1526 annexeerde hij Mazovië In 1518 was hij gehuwd met Bona Sforza, prinses van Milaan, die de renaissance in geheel Polen, zelfs in Litouwen, introduceerde. Door haar sterk persoonlijke politiek verminderde Sigismunds gezag. Sigismund wordt beschouwd als een wijs vorst en was een ontwikkeld humanist, die veel bijdroeg tot de bloei van kunst, wetenschap (Copernicus) en literatuur (nog vnl. in het Latijn, maar voor het eerst ook in het Pools) in zijn tijd Sigismund II August , ook August I (Krakau 1 aug. 1520 - Knyszyn 7 juni 1572), koning van Polen van 1548 tot 1572, uit het Huis Jagiello, volgde zijn vader Sigismund I op. Hij lijfde in 1561 Lijfland bij Polen in (dit werd een Russisch-Poolse twistappel) en sloot de Unie van Lublin (1569), waarbij de Litouwse gebieden Pools werden. De protestanten konden hun aanhang onder zijn koningschap ongehinderd uitbreiden. Sigismund III (Gripsholm 20 juni 1566 - Warschau 30 april 1632), koning van Polen van 1587 tot 1632, uit het Huis Wasa, was koning van Zweden van 1592 tot 1604. Sigismund was een zoon van Johan III van Zweden en Catharina van Polen; van zijn moeder kreeg hij een katholieke opvoeding. Als koning van Zweden heeft hij nauwelijks gefungeerd. Al in 1595 moest hij Zweden in voogdij afstaan aan zijn oom Karel van Södermanland. Sigismund nam dit verlies niet en trok in 1598 van Polen naar Zweden, waar hij verslagen werd. Onder zijn regering was Polen bloeiend en machtig en het werd beschouwd als een belangrijk bolwerk tegen Turken, Tataren en Moskovieten.
De vorderingen die het protestantisme onder zijn voorgangers had gemaakt, deed hij te niet; de Contrareformatie zegevierde definitief. Weinig gelukkig was Sigismunds ingrijpen in Moskou.
Toen tsaar Vasili Sjoesjki zich met Karel van Zweden verbond tegen de tweede valse Dimitri, die met steun van vele Poolse edelen Rusland binnenviel (1609), was de oorlog een feit. Sigismund droomde van verovering (en bekering) van geheel Moskovië
In 1610 drongen de Polen in Moskou door en kozen de bojaren Sigismunds zoon Wladyslaw tot tsaar, hetgeen Sigismund slechts met vele bedenkingen aanvaardde. De valse Dimitri werd toen vermoord en de Polen werden uit Rusland verdreven.
Pas in 1618 werd een wapenstilstand gesloten. Voorts had Sigismund te kampen met de Turken, die in 1621 bij Chocim door Chodkiewicz werden verslagen.
|
Wilanowpaleis, Polen Jan Sobieski III wordt beschouwd als de laatste grote koning van Polen en werd in 1674 gekozen nadat hij zichzelf in verschillende veldslagen had weten te onderscheiden. Na zijn kroning zette hij zijn militaire successen voort, met als opmerkelijkste wapenfeit een overwinning op de Turken bij Wenen in 1683. Sobieski woonde in het Wilanowpaleis, dat in de buurt van Warschau staat. Het schitterende landgoed van het paleis wordt nog steeds gebruikt voor belangrijke officiële gelegenheden.Ter beschikking gesteld door Embassy of the Republic of Poland
Toen Sigismund II, de laatste van de Jagiellonen, kinderloos stierf (1572), begon een periode van werkelijk kieskoningschap, waarbij de Sejm iedere nieuwe koning bij zijn regeringsaanvaarding een aantal voorwaarden en garanties liet tekenen. Onder het bewind van de doortastende Jan III Sobieski (1674 - 1696) beleefde het oude Polen voor het laatst een tijd van machtspolitiek herstel. De oorlog tegen Turkije werd succesrijk gevoerd en met de herovering van Podolië bekroond. Na het overlijden van Jan III werd Polen weer snel een speelbal van vreemde mogendheden, die de koningskeuze beslisten. |
In 1764 werd onder zware diplomatieke en militaire druk van Catharina II de Grote Stanislaw II Poniatowski tot koning van Polen gekozen. Hij kon, hoewel sympathiserend met het streven naar staatkundige hervormingen, in de praktijk niet verder gaan dan het door Catharina in haar 'instructie' neergelegde program. Het doordringen van de ideeën van de Verlichting en een groeiend nationaal besef inspireerden tot pogingen aan de buitenlandse inmenging en de anarchistische binnenlandse politieke toestand een einde te maken. In 1768 sloten Poolse edelen zich aaneen tot de confederatie van Bar, gericht tegen de Russische machtspositie. Vier jaren burgeroorlog waren het gevolg; de Russische interventie leidde tot onderhandelingen tussen Pruisen en Oostenrijk, die niet wilden toestaan dat de tsarina in feite geheel Polen onder permanente Russische heerschappij bracht. In de periode van 1772 tot 1795 werd Polen geheel opgedeeld (zie Poolse Delingen). Na de eerste deling (1772) behield Rusland zijn hegemoniale invloed in het overgebleven Polen. In 1775 werd de gelijkstelling van de 'dissidenten' doorgezet. De hervormingsgezinde partij slaagde in 1791 erin de landdag een grondwet te doen aannemen die aan de anarchie van het liberum veto een einde moest maken: Polen werd tot een erfelijke constitutionele monarchie verklaard, met een staand leger; de toestand van de lijfeigen boeren werd iets verbeterd, doordat zij tegen arbitraire gezagshandhaving door hun heren werden beschermd. Een deel van de magnaten, de 'Oudpoolse' partij, weigerde evenwel de nieuwe verhoudingen te aanvaarden en sloot de confederatie van Targowica (1792), die door de Russen werd gesteund. In hetzelfde jaar begonnen de hervormingsgezinde Polen onder leiding van Kosciuszko en van een neef van de koning, Józef Poniatowski,de strijd. Toen de koning - weinig meer dan de gevangene van de Russen - zich bij de Oudpoolse partij aansloot, werd de strijd echter gestaakt. Internationale verwikkelingen werden de aanleiding tot de Tweede Poolse Deling in 1793. Deze leidde in 1794 tot een hernieuwde opstand. De confederatie van Kraków riep Kosciuszko tot 'dictator' uit. Na een nederlaag raakte hij in Russische gevangenschap. Het jaar daarop (1795) werd wat er nog van Polen overgebleven was bij de Derde Poolse Deling door de drie aangrenzende mogendheden geannexeerd.
|
Vele Polen vluchtten naar Frankrijk en namen daar dienst in het leger, in de hoop de onafhankelijkheid van hun land te bevorderen. Bij de Vrede van Tilsit (1807) verloor Pruisen in het oosten al het gebied dat het door de Tweede en de Derde Poolse Deling gewonnen had. Hieruit werd, met uitzondering van het tot een aparte republiek geproclameerde Danzig (Gdansk), het groothertogdom Warschau gevormd, dat in 1809 met de Oostenrijkse aanwinst van 1795 werd uitgebreid. Groothertog werd de koning van Saksen, Frederik August I. In nauwe alliantie met Frankrijk nam het groothertogdom Warschau deel aan de Napoleontische veldtocht tegen Rusland. Na de val van Napoleon werd door het Congres van Wenen (1815) uit het groothertogdom minus de aan Pruisen toegewezen provincie Posen (Poznan) het koninkrijk Polen (het Congres-Polen) gevormd, dat in personele unie met Rusland werd verenigd; het kreeg een eigen constitutie en een eigen leger. Kraków over het bezit waarvan Oostenrijk en Rusland het niet eens konden worden, werd een 'vrije stadsrepubliek'. Oostenrijk behield Galiciëdat aanvankelijk - evenals Pruisisch Polen - geen autonomie verkreeg. Naar boven |
Tot ver in de 19de eeuw bestond er een merkwaardige relatie tussen enerzijds de West-Europese revolutionaire linkerzijde, die de status quo verwierp, en anderzijds de Polen, die naar herstel van de Poolse onafhankelijkheid streefden, vnl. leden van de adel. Polen streden in 1848 - 1849 mee in de Duitse, Italiaanse en Hongaarse revoluties (zie revolutiejaar 1848 ) en namen in 1871 aan de Commune van Parijs deel. De grote Poolse opstanden van 1830 - 1831 en 1863 werden door de radicale linksen in Europa toegejuicht. In Polen zelf echter mislukten beide opstanden en andere revolutionaire bewegingen niet slechts door de overmacht van de tegenstander, maar ook door het onvermogen van de opstandelingen de boerenmassa's krachtig te activeren. Zowel in Pruisisch Polen als in Russisch Polen waren het de reactionaire regeringen die - tegen de wil van een groot deel van de Poolse adel in - de emancipatie van de boeren bevorderden, wat resulteerde in een grote mate van loyale gezindheid van de boeren ten opzichte van de vreemde heerschappij, waaraan in het Pruisische geval slechts een einde kwam door een scherpe antiklerikale politiek in de jaren zeventig, alsmede door het germaniseringsbeleid, dat een bedreiging van het bestaan der Poolse boeren inhield. In Russisch Polen, het grootste en belangrijkste Poolse gebied, schiep de na de opstand van 1863 op gang gekomen industrialisering een nieuwe situatie: economisch was de opkomende bourgeoisie gebaat bij het handhaven van de Russische rijkseenheid, die haar een tolvrije toegang tot een reusachtige markt verschafte. De Nationaal-Democratische Partij onder leiding van Roman Dmowski, die ook in Pruisisch Polen veel aanhangers kreeg, streefde naar een inlijving van alle Poolse gebieden bij het Russische Rijk en het verwerven van politieke autonomie voor een aldus ontstaan Polen, waarvan de grenzen met die van de Poolse natie identiek zouden zijn. De bestaande staatsgrenzen werden aanvaard door een deel van de socialisten, die aan het einde van de 19de eeuw verenigd waren in de SDKP?; deze partij werd geleid door internationalistisch gezinde, veelal joodse intellectuelen en vond haar aanhang onder een deel van de industriearbeiders in Russisch Polen. Zij werd geflankeerd enerzijds door de socialistische joodse Bund, die betrekkelijk geïsoleerd was, anderzijds door de Poolse Socialistische Partij (PPS), die als punt 1 van haar program het herstel van de Poolse onafhankelijkheid had. De PPS was een factor van betekenis in Galicië waar sinds 1866 het Poolse bevolkingselement in toenemende mate autonomie verkreeg en waar in feite de grootste politieke vrijheid heerste. In de PPS leefde sterk de gedachte aan een Pools rijk, dat ook de bij de Eerste en de Tweede Deling verloren gegane Litouwse, Wit-Russische en Oekraïnse gebieden moest omvatten. Russisch Polen (Congres-Polen, generaal-gouvernement Warschau). Onder het regime van de door prins Czartoryski ontworpen grondwet genoot Congres-Polen aanvankelijk een grote mate van autonomie. Onder tsaar Nicolaas I (1825 - 1855) werd evenwel de grondwet geschonden om de Russische invloed te versterken. In 1892 werd de Poolse Socialistische Partij (PPS) opgericht, waarvan zich reeds in 1893 de SDKP (Sociaal-Democratie van het Koninkrijk Polen, in 1899 na toetreding van Litouwers in SDKP? omgedoopt) als internationalistisch-marxistische vleugel afsplitste. De PPS bleef onderling sterk verdeeld. Pruisisch Polen. De Pruisische provincies met een sterk aandeel van Polen aan de totale bevolking - Posen, West-Pruisen en Opper-Silezië - ontwikkelden zich nogal uiteenlopend. In Posen werd in 1823 de emancipatie van de boeren doorgevoerd, veertig jaar eerder dan in Russisch Polen. In dezelfde provincie was, vooral onder de adel, het Pools nationaal besef het sterkst ontwikkeld. Oostenrijks Polen. In 1833 werd een poging Galicië tot opstand te brengen aanleiding voor de Oostenrijkse regering het Duitse element ten koste van het Poolse te versterken. Door verraad werd een plan tot opstand in 1846 in Wenen bekend; de rebellen zagen nu van actie af, behalve in de vrije stad Kraków waar men niet tijdig was gewaarschuwd en die nu door Oostenrijk werd geannexeerd. |
De Polen, die hoopten als gevolg van de oorlog een zelfstandig staatsbestaan te kunnen bereiken, waren tot op het ogenblik van de unieke constellatie dat de drie delingsmogendheden alle verliezers waren geworden, verdeeld in hun voorkeur. Bij het uitbreken van de oorlog marcheerde vanuit Galicië een door Pilsudski voorbereid en geleid Pools -legioen- over de Russische grens. Duitse troepen bezetten in 1915 - 1916 Russisch Polen. De proclamatie van een Poolse staat op 5 nov. 1916 geschiedde in weinig hoopvolle omstandigheden. De tegenstellingen tussen de Centralen, Duitsland en Oostenrijk, ten aanzien van Polens toekomst bleken onoverkomelijk. De -passieven- onder de Polen (m.n. de nationaal-democraten, die in toenemende mate steun zochten bij de westelijke Entente-landen) werden nooit voor samenwerking met de Centralen gewonnen; de -activisten- raakten van hen vervreemd en de vrijwilligersbeweging werd geen succes. Nadat bij de Vrede van Brest-Litovsk aan de tot een zelfstandige staat uitgeroepen Oekraïne een gebied (het Cholmer land) werd toebedeeld, dat de Polen voor zich opeisten, viel het Poolse hulpkorps van de Centralen af en begaf een deel ervan zich onder aanvoering van generaal Haller via Moermansk naar Frankrijk, waar het de daar tegen Duitsland strijdende Poolse eenheden versterkte. Het zwaartepunt van de Poolse onafhankelijkheidsbeweging was nu geheel naar de Entente-landen verschoven. Het door de nationaal-democraat Dmowski gevormde Poolse Nationale Comité te Parijs verkreeg een steeds sterkere positie, vooral na de val van de tsaristische regering. Het dertiende van de -Veertien Punten- van de Amerikaanse president Woodrow Wilson ( jan. 1918 ) bevatte de eis van een onafhankelijk Polen binnen zijn nationale grenzen met vrije toegang naar zee. De vertegenwoordigers van het Nationale Comité in de Verenigde Staten bepleitten de inlijving van overwegend Duitse gebieden in Oost-Pruisen en Opper-Silezië De door de Centralen ingestelde Regentschapsraad zwenkte in de loop van 1918 om naar de door Wilson gestelde eis. In okt. 1918 werd in Kraków en West-Galicië het bewind overgenomen door een commissie onder leiding van W. Witos, de boerenleider, en I. Daszynski, een medestrijder van Pilsudski. Na strijd met de Oekraïners werd de Poolse macht ook in Oost-Galicië hoofdstad Lemberg; Pools: Lwów thans: Lviv) gevestigd. Op 14 nov. abdiceerde de Regentschapsraad ten gunste van de uit Duitsland teruggekeerde Pilsudski, die als staatshoofd op 17 nov. J. Moraczewski opdroeg een regering te vormen. In een gespannen situatie - de oude politieke en persoonlijke tegenstellingen waren niet verdwenen en de nationaal-democraten gingen zelfs tot een (mislukte) opstand over - werd hij op 16 jan. 1919 door Paderewski vervangen. Met het Parijse Nationale Comité kwam een vergelijk tot stand; het trad als Poolse delegatie bij de vredesconferentie op. Geleidelijk breidde de regering haar gezag ook over Pruisisch Polen uit. In het Vredesverdrag van Versailles (juni 1919) werd de grens met Duitsland slechts gedeeltelijk vastgelegd; m.n. in Oost-Pruisen en Opper-Silezië moesten volkstemmingen worden gehouden, die over de staatkundige toekomst van de betrokken landstreken zouden beslissen. Naar boven |
Onder de Poolse leiders heersten verschillende opvattingen omtrent de voor de nieuwe staat na te streven grenzen. Pilsudski wilde een federatieve aanhechting van de Litouwse, Wit-Russische en Oekraïnse gebieden, die tot 1772 bij Polen hadden gehoord. De nationale regeringen van de Litouwers en (tot hun verjaging door de bolsjeviki) die van de Oekraïners en Wit-Russen maakten echter front zowel tegen de communisten als tegen Polen. Een groot aantal militaire en semi-militaire acties werd gevoerd, waaronder de Pools-Russische Oorlog de belangrijkste was; voorts gewapende acties en terreurdaden in Silezië en de occupatie van Wilna (Vilnius) en omgeving, die de geallieerden aan Litouwen hadden toegewezen. Omgekeerd maakten de Tsjechen zich meester van een deel van Teschen (Cieszyn). De volksstemmingen (1920 - 1921) in de door Duitsland betwiste gebieden verliepen voor Polen niet zeer gunstig. De grens met de Sovjet-Unie, op 18 maart 1921 bij de Vrede van Riga definitief vastgelegd, verliep ver ten oosten van de etnische grens, die de geallieerden in 1920 hadden goedgekeurd (de Curzon-linie). Een derde van de bevolking van Polen bestond nu uit nationale minderheden. Toch hadden de -Federalisten- (Pilsudski) hun ambities in genen dele kunnen bereiken. Het overwicht van het Poolse element - in de geest van de 'Unitariërs' - kwam ook tot uitdrukking in een politiek van repressie van de minderheden. In de ter wille van Polen gecreërde en onder toezicht van de Volkenbond geplaatste -Vrije Stad- Danzig (Gdansk) kreeg het eerstgenoemde land bijzondere rechten, vooral ten aanzien van het gebruik van de haven. Behalve het minderhedenvraagstuk waren de economische en sociale problemen van dien aard, dat de nieuwe staat weinig stabiel was: tegenover het betrekkelijk ontwikkelde westen (het voormalig Pruisische gebied alsmede de industriesteden van Russisch Polen zoals Lódz stonden het achterlijke oosten en zuiden. Naar boven |
In 1921 sloot Polen met Frankrijk een alliantieverdrag, dat de grondslag werd voor zijn buitenlandse politiek, die tegen Duitsland en, onder Pilsudski, aanvankelijk vooral ook tegen de Sovjet-Unie was gericht. In dec. 1922 gaf Pilsudski het staatspresidentschap op. Zijn opvolger werd twee dagen na zijn ambtsaanvaarding vermoord door een nationaal-democraat. President werd toen St. Wojciechowski; hij benoemde generaal Sikorski tot minister-president. Sikorski begon de bouw van een eigen Poolse haven bij Gdynia, maar zijn regering was niet opgewassen tegen de toenemende inflatie, die ook voor de volgende kabinetten het belangrijkste probleem was. Toen Witos (voor de tweede keer) een regering vormde, waarin voor het eerst ook nationaal-democraten zitting hadden, nam Pilsudski ontslag als chef van de generale staf en trok hij zich op zijn landgoed terug (juli 1923). De weerstanden die de door de nationaal-democraten bedreven poloniseringspolitiek tegenover de minderheden opriep, wekten evenwel de toorn van Pilsudski op, die echter vooral op de werking van de parlementaire regeringsvorm in Polen kritiek had. Toen op 10 mei 1926 Witos weer met de vorming van een regering werd belast, bezette Pilsudski met hem toegedane troepen de voorstad Praga en van daaruit veroverde hij Warschau. Pilsudski vermeed de invoering van een openlijk absolutistisch regime en beperkte zich tot een -morele dictatuur-, die de bestaande staatsinstellingen intact liet, maar deze van binnen uit trachtte te beheersen. In de volgende negen jaar trad Pilsudski, die in 1926 het ambt van staatspresident afwees, in de meeste kabinetten alleen als minister van Oorlog op. De Sejm werd in zijn bevoegdheden besnoeid (ook inzake zijn budgetrecht). Pilsudski, door steun van de linkerzijde aan de macht gekomen, steunde in toenemende mate op krachten van rechts. In verschillende etappen en met verschillende methoden (waaronder die van directe intimidatie) streefde Pilsudski naar een grondwetswijziging, die ten slotte in 1935 tot stand kwam en een beperking van de parlementaire rechten inhield. Inhoudelijk verschilde het Pilsudski-regime niet zoveel van de door de nationaal-democraten gedomineerde kabinetten: de verlangens van de nationale minderheden werden niet gehonoreerd, sociale hervormingen van enige omvang bleven uit. In zijn buitenlandse politiek steunde Pilsudski aanvankelijk op het bondgenootschap met Frankrijk. Ondanks zijn anti-Russische instelling verbeterden de betrekkingen met de Sovjet-Unie geleidelijk, terwijl die met Duitsland eerder verslechterden. In jan. 1934 kwam een niet-aanvalsverdrag tussen Polen en Duitsland tot stand. Na Pilsudski's dood (1935) waren president Moscicki en de opperbevelhebber van de strijdkrachten, generaal (later maarschalk) E. Smigly-Rydz, de machtigste personen. Het autoritaire bewind werd voortgezet. De buitenlandse politiek trad sterker op de voorgrond. Minister J. Beck was de kampioen van een - derde Europa-, maar de Duitse en Russische herbewapening werd tot een steeds grotere bedreiging voor Polen, dat - soms trachtend een grote mogendheidsrol te spelen - als magneet voor een bondgenootschap economisch, sociaal en politiek te zwak was. Als gevolg van de Frans-Russisch-Tsjechoslowaakse verdragen van mei 1934 raakte Polen feitelijk nog meer geïsoleerd. Tijdens de Sudetencrisis van 1938 (zie Conferentie van München) boekte Beck een schijnsucces door op 1 okt. een deel van Teschen en later een strook in de Karpaten van Tsjechoslowakije te verwerven. Toen in 1939 Hongarije Roethenië (oostelijk Tsjechoslowakije, thans een deel van de Oekraïne) bemachtigde en daarmee de door Polen verlangde gemeenschappelijke grens met dit land had, begon de Duitse agitatie reeds dreigende vormen aan te nemen. De eis van Hitler van een corridor naar Oost-Pruisen door Polen en annexatie van Danzig werd door Polen afgewezen; het sloot een verdrag met Engeland, dat samen met Frankrijk naar de wapenen greep, nadat Duitsland op 1 sept. Polen was binnengevallen. Naar boven |
Getto van Warschau Duitse soldaten verdrijven joodse families uit het getto van Warschau. Tussen 28 juli en 13 september 1942 werden daaruit meer dan 300 000 joden naar de vernietigingskampen gedeporteerd, van wie de meesten naar Treblinka.
De Poolse strijdkrachten werden in zeer korte tijd uitgeschakeld. Terwijl aanvankelijk een stroom vluchtelingen uit het door de Duitsers bezette gebied naar het Russische was getrokken, vluchtten in 1939 - 1940 honderdduizenden naar het 'Generalgouvernement', het door de Duitsers bezette Poolse gebied minus dat deel dat (onder de naam van 'eingegliederte Ostgebiete') zonder meer door het Groot-Duitse Rijk was geannexeerd en welks grenzen ongeveer het midden hielden tussen die van 1914 en de Pruisische grens na de Derde Poolse Deling van 1795. |
Op 28 juni 1945 kwam een 'regering van nationale eenheid' tot stand, waarin de communisten domineerden. Zij beschikten over het staatsveiligheidsapparaat en controleerden de Poolse kolonisatie van de op Duitsland gewonnen gebieden, waaruit de meeste Duitsers op dikwijls gruwelijke wijze werden verdreven. De bolsjevisatie stuitte in Polen op verzet van de hier sterk nationaal-georiënteerde Rooms-Katholieke Kerk en van de eerst geleidelijk bedwongen ondergrondse strijdkrachten. Binnen de regering streefde Mikolajczyk naar het behoud van een minimum aan democratie. Ook binnen de PPS, die zich had moeten uitspreken voor een toekomstige fusie met de communistische PPR, werd verzet geboden en het door de minister voor de -herwonnen gebieden-, Wladyslaw Gomulka, geëiste -Democratische Blok-, dat als eenheidsfront de verkiezingen had kunnen ingaan, kwam niet tot stand. Nadat verschillende kleinere partijen waren uitgeschakeld, richtte zich de politieterreur tegen Mikolajczyks (uit de regering getreden) Boerenpartij, die bij de verkiezingen van jan. 1947 nog ruim 10% van de stemmen verkreeg tegen 80% voor het door de PPR geleide 'Democratische Blok'. Dit laatste koos B. Bierut tot president, die J. Cyrankiewicz tot minister-president benoemde. De uitschakeling van Mikolajczyk en de vereniging in 1948 van PPR en PPS tot de Poolse Verenigde Arbeiderspartij (PZPR) brachten de stabilisatie van het nieuwe regime tot uitdrukking, dat zich na de reeds in 1947 begonnen terugdringing van de 'nationale' communisten (in sept. 1948 verving Bierut Gomulka als eerste-secretaris van de partij; met Gomulka vielen in ongenade o.a. M. Spychalski en Z. Kliszko) als volkomen onderhorig aan Moskou manifesteerde. In nov. 1949 werd Sovjetmaarschalk K. Rokossovski (een Pool van geboorte, maar volledig gerussificeerd) tot minister van Defensie en maarschalk van Polen benoemd. In tegenstelling tot de ontwikkelingen in de andere Oost-Europese landen voltrok de collectivisatie van de landbouw zich niet consequent en onvolledig, terwijl het in Polen niet tot spectaculaire terechtstellingen van in ongenade gevallen communistische leiders kwam Naar boven |
Na de dood van Stalin begon ook in Polen een periode van aarzelende dooi. Na de arrestatie van kardinaal Wyszynski en andere geestelijken gaf een groot deel van de bevolking blijk van een afwijzende houding tegenover het regime, dat in 1954 geplaagd werd door stakingen en protesten tegen de stijging van de kosten van levensonderhoud. Het tweede congres van de PZPR besloot tot een 'nieuwe koers': meer aandacht zou worden besteed aan de productie van consumptiegoederen en de collectivisatie van de landbouw moest zich meer dan tevoren op basis van vrijwilligheid voltrekken. Naar aanleiding van onthullingen door een naar het Westen gevluchte officier over de methoden van de staatsveiligheidsdienst werd het ministerie waaronder deze ressorteerde in dec. 1954 opgeheven. Gomulka werd in vrijheid gesteld, maar voorlopig niet gerehabiliteerd. Nadat Bierut na het 20ste congres van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie was gestorven, volgde hem als eerste-secretaris E. Ochab op (20 maart 1956). In de pers en in het parlement openbaarde zich een geest van iets vrijmoediger kritiek. In mei 1956 leidde een amnestie tot de vrijlating van 30 000 gevangenen. Protesten van arbeiders in de metaalindustrie in Poznan tegen te lage reële lonen mondden in juni uit in demonstraties en een algemene staking. Nadat de politie enkele demonstranten had gedood, ging de menigte tot een gewapende opstand over (28 juni 1956). Poolse en Sovjetmilitairen sloegen het verzet neer. In deze tijd van spanning voeren partij en regering geen vaste koers. De leiding was verdeeld: Cyrankiewicz, Rapacki, Jedrychowski en Gierek bepleitten voorzichtige hervormingen en een grotere zelfstandigheid ten opzichte van Moskou; Minc, Rokossovski, Z. Nowak - de naar de plaats van samenkomst zo geheten 'Natolin-groep' - wilden een harde koers. Tussen beide groepen in stonden veel aarzelenden en opportunisten. Binnen de partijleiding voltrok zich in oktober een gedeeltelijke ommekeer. Op 9 okt. 1956 trad Minc als lid van het Politburo af, op 19 en 20 okt. werden Gomulka (die Ochab als eerste-secretaris verving), Spychalski en Z. Kliszko formeel in dat college opgenomen. Er bleven evenwel ook aanhangers van de Natolin-groep in de leiding. De marge voor een 'eigen weg' was niet breed. Rokossovski verdween naar de Sovjet-Unie en werd opgevolgd door Spychalski. De Sovjet-Unie bleek tot economische concessies bereid: aan de directe uitbuiting van Polen (dat ver onder de wereldmarktprijs goederen, zoals steenkolen, had moeten leveren) kwam een einde. In de fabrieken en de mijnen waren spontaan arbeidersraden gevormd, die door een wet van 19 nov. 1956 werden geïnstitutionaliseerd. Deze kregen overigens geen zeggenschap over de productie en werden in snel tempo gedegradeerd tot machteloze adviescolleges, die slechts over kleine bedrijfsproblemen mochten beraadslagen. In jan. 1957 werden parlementsverkiezingen gehouden, waarbij het 'Front van nationale eenheid' een eenheidslijst presenteerde. In de loop van 1957 openbaarden zich binnen de PZPR crisisverschijnselen. Met name onder de jeugd waren er velen die radicale veranderingen nastreefden en volledige vrijheid van meningsuiting opeisten. In de partij vonden zij hun vertegenwoordigers onder de door hun tegenstanders als 'revisionisten' of 'uiterst links' bestempelde intellectuelen (onder wie de filosoof Leszek Kolakowski). Gomulka keerde zich krachtig tegen deze richting. In 1958 werd de koers nog duidelijker tegen liberalisatietendenties gericht. Op 30 april werd de minister van Onderwijs, W. Bienkowski, ontslagen in verband met zijn verzet tegen een zuivering van de redactie van het als 'revisionistisch' bestempelde blad Nowa Kultura. In december kregen door een wet op de arbeidersraden in deze organen ook zitting representanten van partij en vakverbond en werd uitdrukkelijk het vetorecht van de directie erkend. De hoop, gewekt door de 'lente in oktober', was bevroren. Naar boven |
Binnen staats- en partijleiding werd de positie van Gomulka, die nu door Moskou zonder reserves werd gesteund, versterkt. In 1960, 1962 en 1966 laaiden hevige spanningen met de kerk op, waarbij kardinaal Wyszynski telkens het doelwit van felle aanvallen was. Herhaaldelijk kwam het tot betogingen van studenten en acties van intellectuelen en kunstenaars, die door de partijleiding werden gewantrouwd en van vijandigheid ten opzichte van het 'socialisme' beschuldigd. In okt. 1966 werd o.m. de filosoof Kolakowski uit de partij gezet. In 1967 leek de 'partizanengroep' onder leiding van de minister van Binnenlandse Zaken, M. Moczar, terrein te winnen. Zijn aanhangers, wel 'anti-Russische stalinisten' genoemd, kwamen voort uit het (communistische) verzet in eigen land en onder hen waren antisemitische gevoelens wijd verbreid. Toen in jan. - maart 1968 studentendemonstraties en botsingen met de politie plaatsvonden, werd de schuld gegeven aan de 'zionisten', de partij werd gezuiverd. Hoewel Moczar tegenover Gomulka het onderspit dolf (in juli 1968 trad hij af als minister), bleef zijn groep een machtsfactor van belang. Polen nam deel aan de invasie van Tsjechoslowakije ( aug. 1968 ) en volgde geheel de Russische lijn. Het grootste probleem voor de leiding was de te geringe en te onevenwichtige economische groei. In 1970 werd de situatie, ook als gevolg van een slechte oogst, kritiek. Op 12 dec. kondigde de regering prijsverhogingen voor levensmiddelen aan, waartegen een verlaging van de prijzen voor duurzame consumptiegoederen niet opwoog. Tot grootscheepse uitingen van verzet kwam het vooral in de Oostzeehavens. Op 13 dec. begonnen in Gdansk demonstraties en stakingen. Zij breidden zich uit over Gdynia, Szczecin en andere steden. De uitroeping van de staat van beleg en dreigementen van de regering voorkwamen dat de beweging zich over heel Polen uitbreidde. Op 18 dec. was het tot een opstand uitgegroeide verzet gebroken. Gomulka, die eerder in de maand met de West-Duitse bondskanselier Willy Brandt het Verdrag van Warschau had ondertekend (feitelijke erkenning van de Poolse westgrens; bereidheid van Polen tienduizenden Duitsers uit het land te laten vertrekken die tot dusverre geen vergunning daartoe konden krijgen), had zich tegen de situatie niet opgewassen getoond. Op 20 dec. trad Gomulka af, samen met Kliszko en Spychalski; enige dagen later werd premier Cyrankiewicz vervangen door P. Jaroszewicz. De nieuwe leidersgroep omvatte E. Giereks 'technocraten' en de 'partizanen' van Moczar, die nu voor het eerst volledig lid van het Politburo werd. De pragmaticus Gierek, opvolger van Gomulka, zorgde ervoor de vriendschap met de Sovjet-Unie te onderstrepen en tegelijk in het binnenland enkele prijsmaatregelen ongedaan te maken. Met behulp van de Sovjet-Unie wist hij de invloed van zijn rivaal Moczar terug te dringen. De eerste jaren van Giereks bewind straalden een optimistisch vooruitgangsgeloof uit. De communistische media begonnen zelfs van een Pools Wirtschaftswunder te spreken. Toch bleven vele sociaal-economische noden, zoals de woningnood en het tekort aan consumptieartikelen, onopgelost. In juni 1976 braken in een aantal Poolse steden (Radom, Katowice, Lódz, Poznan, Warschau) stakingen uit naar aanleiding van forse prijsstijgingen van de levensmiddelen. De regering trok hierop de prijsverhogingen in, maar de politie arresteerde honderden betogers met geweld. In sept. 1976 richtten veertien prominente schrijvers en wetenschapsmensen (Jerzy Andrzejewski, Jacek Kuron, Edward Lipinski e.a.) het Comité der Verdediging van de Arbeiders (het KOR) op. In sept. 1977 verbreedde het KOR zijn doelstellingen tot de behartiging van de mensenrechten in brede zin en noemde zich van toen af aan KSS-KOR, het Comité voor Sociale Zelfverdediging (dat zich in sept. 1981 ophief). In de periode 1977 - 1980 ontstond een groot aantal andere onofficiële organisaties, zoals het ROPCO, de Beweging voor de Rechten van de Mens en Burger en het zeer anti-Russische KPN, de Confederatie voor een Onafhankelijk Polen. Al deze organisaties gingen in toenemende mate via zelfgemaakte publicaties (die de officiële censuur niet gepasseerd waren) hun ideeën verbreiden. Naar boven |
Op het 8ste congres van de PZPR (febr. 1980) werd premier Piotr Jaroszewicz voor het economisch wanbeheer aansprakelijk gesteld en door Edward Babiuch vervangen. Babiuch was gedwongen op 1 juli 1980 grote verhogingen van de levensmiddelenprijzen door te voeren. Dit leidde tot een stakingsgolf door heel Polen. Het centrum van de stakingsacties was de Leninwerf in Gdansk. Meer dan 300 bedrijven hadden hier een gezamenlijk comité gevormd, dat op 21 aug. onder leiding van Lech Walesa onderhandelingen begon met een regeringsdelegatie onder leiding van vice-premier Mieczyslaw Jagielski. Op 31 aug. kwam het Akkoord van Gdansk tot stand, waarin de Poolse regering de oprichting van vrije vakbonden, een nieuwe wet op de censuur, economische hervormingen, de uitzending van de heilige mis zondags over de radio en vrijlating van politieke gevangenen toestond, en de nieuwe vakbond Solidarnosc (Solidariteit) de leidende rol van de communistische partij in de staat erkende. |
In juni 1989 werden de eerste vrije verkiezingen gehouden voor de nieuwe Senaat, waarbij de communisten werden verpletterd en de oppositie alle beschikbare zetels won. In de Sejm kreeg de oppositie in totaal 35% van de zetels toegewezen. De voormalige bondgenoten van de communisten, de Democratische Partij en de Boerenpartij, kozen echter al snel de zijde van de oppositie. In juli trad Jaruzelski af als partijleider; hij werd opgevolgd door demissionair premier Rakowski. Jaruzelski werd met veel moeite tot president gekozen. Op 19 aug. werd Tadeusz Mazowiecki op voordracht van Walesa tot premier benoemd. Op het elfde partijcongres (jan. 1990) hief de communistische partij (PZPR) zichzelf op. Als haar opvolger werd de Sociaal-Democratie van de Republiek Polen (SdRP) opgericht, die tezamen met de linkse vakbond OPZZ de Alliantie van Democratisch Links (SLD) ging vormen. Tussen 1990 en 1993 zou het 45 000 man sterke Sovjetleger in Polen zich terugtrekken. Begin 1990 maakte minister van Financië Leszek Balcerowicz, een begin met radicale economische hervormingen ter bestrijding van de hyperinflatie, die in 1989 tot boven de 1000% was opgelopen. De scherpe daling van de inflatie ging gepaard met een sterke daling van de levensstandaard, massale werkloosheid en een recessie. Na een breuk in Solidariteit stelden Mazowiecki en Walesa zich beiden kandidaat voor de presidentsverkiezingen van eind 1990. In de tweede ronde op 9 dec. triomfeerde Walesa met ruim 74%; op 22 dec. werd hij als president beëdigd. In juni leed president Walesa een persoonlijke nederlaag, toen de Sejm - ondanks twee maal een presidentieel veto - met het oog op de eerste democratische verkiezingen op 27 okt. 1991 een nieuwe kieswet aannam. Die verkiezingen leverden een versplinterd parlement op, een situatie waarvoor Walesa gewaarschuwd had. Achtereenvolgens formeerden Jan Olszewski (dec. 1991 - juni 1992), Waldemar Pawlak (juni - juli 1992) en Hanna Suchocka (juli 1992 - mei 1993) een regering. Suchocka werd gevraagd aan te blijven tot de nieuwe verkiezingen onder een nieuwe kieswet in sept. 1993. Deze verkiezingen leverden een overwinning op voor de ex-communisten. De Poolse Boerenpartij (PSL) eindigde als tweede. Samen kregen zij tweederde van de zetels in de Sejm en driekwart van de zetels in de Senaat, ruim voldoende voor de vorming van een nieuwe regering. De coalitie beloofde het beleid van privatiseringen en andere hervormingen voort te zetten. Bij de presidentsverkiezingen van nov. 1995 versloeg SLD-voorman Aleksander Kwasniewski met een klein verschil Lech Walesa. In hetzelfde jaar kwam een geldhervorming tot stand (opwaardering van de zloty) en werd een begin gemaakt met de privatisering van kleine en middelgrote staatsbedrijven. In de zomer van 1996 keurde het parlement een hervormingsplan goed om het centrale bestuur te stroomlijnen en de rol van de overheid in de economie te beperken. In dezelfde periode trad Polen als derde voormalig communistisch land toe tot de OESO. In aug. werd de scheepswerf in Gdansk failliet verklaard. De werf had in 1980 een belangrijke rol gespeeld bij de oprichting van de onafhankelijke vakbond Solidariteit. In 1997 werd een nieuwe grondwet, waaraan jaren was gewerkt, door beide kamers aanvaard en van kracht. Hij legde het land vast als een parlementaire democratie met een vrijemarkteconomie (zie ook § 3.1). In sept. 1997 leverden de parlementsverkiezingen een grote overwinning op voor de oppositionele Kiesactie Solidariteit (AWS), een coalitie van ruim 20 conservatieve, katholieke en nationalistische organisaties rondom de vakbond Solidariteit. Jerzy Buzek werd in oktober premier van een coalitie tussen AWS en de liberale Vrijheidsunie. In 1997 besloot de Europese Unie dat Polen op termijn zou kunnen toetreden tot de EU. In datzelfde jaar nodigde de NAVO Polen uit lid te worden van het bondgenootschap, hetgeen in maart 1999 zijn beslag kreeg. Eind mei 2000 trok de liberale Vrijheidsunie (UW) van vice-premier en minister van Financië Leszek Balcerowicz zich terug uit de regeringscoalitie met de rechtse Kiesactie Solidariteit (AWS). Op de achtergrond speelde het landelijke conflict over het economische hervormingsbeleid, dat volgens de UW door een deel van de AWS werd tegengewerkt. Na een mislukte lijmpoging ging de regering-Buzek begin juni door als minderheidskabinet. Bij de in oktober 2000 gehouden presidentsverkiezingen wist de zittende president Aleksander Kwaśniewski (SLD) al in de eerste ronde met 54% de absolute meerderheid te behalen. De AWS-kandidaat Marian Krzaklewski kreeg 16%, terwijl ex-president Lech Wałęsa slechts 1% van de stemmen vergaarde. Kwaśniewski werd herkozen voor een periode van vijf jaar. De opkomst was 61%.
|
Poolse landdag of standenvergadering, ontstond uit de sejmiki, de zelfbestuursorganen van de provincies, die sinds 1493 uit hun midden een algemeen Poolse sejm bijeenriepen. De sejm was samengesteld uit drie standen, nl.: de koning; de Senaat (waarin hoogwaardigheidsbekleders uit de gelederen van de magnaten, vojevodes (zie vojvoda), bisschoppen en hofbeambten zitting hadden); de Kamer van afgevaardigden (izba posielska), waarin de gekozen vertegenwoordigers van de adel op de sejmiki zaten. Voorts was voor de burgerij alleen de stad Kraków vertegenwoordigd, maar zonder stemrecht. Toen in 1569 Litouwen met Polen werd verenigd, stuurde dit gebied ook afgevaardigden. In 1573 werd bepaald dat de sejm elke twee jaar zou worden bijeengeroepen voor een zitting van hoogstens zes weken; tussentijdse bijeenkomsten waren mogelijk. De bevoegdheid van de sejm was vérgaand: voor het uitvaardigen van nieuwe wetten had de koning toestemming van de sejm nodig. De sejm kon evenwel moeilijk tot besluiten komen, vooral na 1650 door het liberum veto. Zij is als Poolse landdag spreekwoordelijk geworden voor verwarring en onenigheid. Aanvankelijk vergaderde de sejm te Krakówf te Piotrków sinds 1569 te Warschau. Naast de normale sejmbijeenkomsten kende men aparte vergaderingen, zoals die voor de koningskeuze, waar elke edelman persoonlijk aan deelnam. Naar boven |
Algemeen Polen heeft na de Tweede Wereldoorlog het economisch model van de Sovjet-Unie gekopieerd. Banken en grote bedrijven werden genationaliseerd en het grootgrondbezit werd opgeheven. Slechts de kleinere boerenbedrijven en de dienstensector bleven in particuliere handen. Het levenspeil bleef lange tijd erg laag, maar wel veranderde Polen geleidelijk van een overwegend agrarisch in een geïndustrialiseerd land. In 1995 werkten er van de beroepsbevolking 22% in de landbouw, 32% in de industrie en 46% in handel en dienstensector. De onevenwichtige economische ontwikkeling en de verwaarlozing van de consumptieve sector vormden een belangrijke oorzaak voor de sociale onlusten van 1956, 1970 en 1980. Tussen 1980 en 1995 steeg het bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking gemiddeld met 2,4% per jaar (in 1994 al 5,2% en in 1995 liefst 7%; in 1996 5,5%); in absolute termen was het bnp echter laag (in 1995 $ 2790 per hoofd van de bevolking). In 1989 werden de vrijemarktprincipes in de Poolse economie hersteld. Op 1 jan. 1990 nam de regering-Mazowiecki een omvangrijk economisch hervormingsprogramma aan. Het voorzag in het vrijlaten van de prijzen (in 1991 verviervoudigden ze zonder dat er loonstijging tegenover stond), voorts het convertibel maken van de zloty en de invoering van een zware belasting op loonstijgingen die uit zouden gaan boven de vastgestelde norm. Daarnaast was een belangrijk doel het onder controle krijgen van de overheidsuitgaven door vermindering van de uitgaven en een strakker belastingsysteem. Als gevolg van dit beleid daalde de inflatie (15% in 1997) en breidde de particuliere sector zich snel uit. Polen heeft zich in de jaren negentig in hoog tempo tot een vrijemarkteconomie ontwikkeld en is daarmee, in vergelijking tot de andere voormalige Oostbloklanden, koploper. Landbouw, veehouderij en visserij Het grootgrondbezit werd na de communistische machtsovername opgeheven, dwz. het grondbezit boven de 50 ha (100 ha in de nieuw verworven westelijke gebieden). Aanvankelijk werden de kleinere particuliere bedrijven met rust gelaten, maar na 1949 werd geprobeerd de boeren ertoe te bewegen hun bedrijven samen te voegen in collectieve bedrijven of coöperaties aan te gaan. In een poging meer greep op de agrarische sector te krijgen werden zgn. landbouwkringen opgericht: instellingen die landbouwmachines verhuren, als gezamenlijk inkoopbureau voor particuliere boeren fungeren en het verenigingsleven op het platteland organiseren. Het particuliere bezit in de agrarische sector heeft gedurende de communistische periode steeds overheerst (tussen de 75 en 85% van het totale landbouwareaal). In okt. 1991 werden de staatsboerderijen opgeheven. De 0,5 miljoen boeren van die bedrijven waren vrij om voor zichzelf te beginnen. Het gemiddelde particuliere bedrijf was in 1989 5 ha groot. De werkloosheid in de landbouw, m.n. in het noorden en noordoosten, is sinds 1989 vrij snel gestegen. De hele landbouwsector draagt voor slechts 6% bij in het bnp. Behalve granen (tarwe, rogge, gerst en haver) produceert Polen traditioneel veel aardappelen en suikerbieten. De veehouderij omvat vnl. runder- en varkensteelt. Gebrek aan veevoer en een slechte infrastructuur zijn de belangrijkste belemmeringen voor groei in deze sector. Visserij. De visvangst op de Oostzee en daarbuiten wordt door een grote visserijvloot bedreven. Kabeljauw en haring zijn de voornaamste producten. Industrie De meeste industrie is gevestigd in het zuiden van het land, met als zwaartepunt Opper-Silezië metaal-, elektrotechnische, chemische en houtverwerkende industrie). Grote industriesteden zijn daarnaast Lódz (chemische industrie en vooral textiel), Warschau (werktuig- en machinebouw, textiel, bouwmaterialen), Poznan (machinebouw, celplasserose, bouwmaterialen, textiel) en Gdansk (scheeps- en machinebouw). Sinds 1990 is de particuliere sector sterk gegroeid. Een groot probleem vormt echter nog steeds de privatisering van de grote staatsbedrijven. De privatiseringswet van juli 1990 leidde niet tot het gewenste effect. Bovendien heeft de industrie, die zich op de export naar de Sovjet-Unie richtte, moeite met overschakelen. Een bijkomend probleem is de enorme milieuvervuiling die de industrie veroorzaakt. Mijnwezen Polen is rijk aan delfstoffen. Steenkool wordt gewonnen in Opper-Silezië, Neder-Silezië en het Lublinbassin, ligniet bij Belchatów. Voorts beschikt het land over rijke koper-, zink- en zwavelvoorraden. Winning van ijzererts, gas en aardolie vindt ook plaats, maar wordt onvoldoende geëxploiteerd om in de eigen behoefte te voorzien. Energie De elektriciteitsopwekking vindt plaats in warmtekrachtcentrales. Aan een kerncentrale bij Zarnowiec werd gebouwd, maar na vele protesten werd in 1990 de bouw stilgelegd. Handel Polen heeft een chronisch tekort op de handelsbalans. Belangrijkste exportproducten zijn steenkool, chemische producten en levensmiddelen. Ingevoerd worden o.a. machinerieën, aardolie, chemische producten en levensmiddelen. Voornaamste handelspartner is Duitsland, naast Italië, Rusland, Groot-Brittannië, Nederland en Frankrijk. Bankwezen Per 31 dec. 1989 werd het gehele bankwezen gereorganiseerd. De Nationale Bank van Polen werd hierdoor onafhankelijk van de overheid en kreeg vergaande bevoegdheden inzake de wisselkoers en het niveau van de rente. Na 1989 is het aantal commerciële banken explosief gegroeid. Ook werd vanaf dat jaar een aantal banken, geheel of gedeeltelijk in privé bezit opgericht. In 1991 werd de beurs in Warschau geopend. Verkeer De ontwikkeling van het spoorwegnet is achtergebleven bij de economische groei. Van het totale net (bijna 25 000 km) is minder dan de helft geëlektrificeerd. Het wegennet (ca. 368 000 km) is redelijk goed. De koopvaardijvloot omvat 591 schepen (uitgezonderd de visserijvloot). De voornaamste zeehavens zijn Szczecin, Gdynia en Gdansk. Warschau heeft een internationale luchthaven. De nationale luchtvaartmaatschappij is de Polskie Linie Lotnicze (LOT).
|
Staatsinrichting Volgens de nieuwe Grondwet van 1997, die de oude, veelvuldig geamendeerde communistische Grondwet van 1952 verving, is Polen een parlementaire democratie, waarin de staatsmacht gedecentraliseerd is en de rechten van individuele burgers versterkt zijn. De bevoegdheden van de president zijn verminderd ten gunste van het parlement en de regering. Hoogste orgaan is de Sejm, het parlement (460 zetels). Daarnaast werd in juni 1989 de Senaat opnieuw ingevoerd (100 zetels). Deze heeft het recht van amendement. Amendementen kunnen door de Sejm worden tegengehouden met een tweederde-meerderheid. De leden van de Sejm worden eens in de 4 jaar volgens het stelsel van evenredigheid gekozen. Het staatshoofd, de president, wordt eens in de 5 jaar rechtstreeks gekozen. Administratieve indeling Sinds 1999 is Polen bestuurlijk verdeeld in 16 provincies, die de 49 wojewodztwa uit 1975 vervangen. Het middenniveau omvat meer dan 350 districten. Het laagste bestuursniveau wordt gevormd door de gemeenten. Lidmaatschap van internationale organisaties Polen is lid van de Verenigde Naties, de WTO, de Raad van Europa, de OVSE en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Sinds maart 1999 is Polen ook lid van de NAVO en per 1 mei 2004 lid van de Europese Unie. Politieke partijen en vakbondswezen Sinds in 1989 de vorming van politieke partijen mogelijk werd, zijn er tientallen partijen opgericht.De belangrijkste zijn: de Kiesactie Solidariteit (AWS), de Alliantie van Democratisch Links (SLD), de Poolse Boerenpartij (PSL) en de Vrijheidsunie (UW). De vakbond Solidariteit (Solidarnosc), opgericht in sept. 1980, werd in okt. 1982 met alle andere vakbonden op last van de overheid ontbonden. In nov. 1984 werd het Overkoepelend Orgaan van Poolse Vakbonden (OPZZ) opgericht. In april 1989 werd Solidariteit officieel weer erkend.
|
Samenstelling en spreiding De bevolking bestaat voor 98% uit Polen (vóór de Tweede Wereldoorlog 65%). Voorts zijn er Wit-Russische, Oekraïnse, Russische, Litouwse, Tsjechische, Slowaakse, Griekse en Duitse minderheden alsmede zigeuners. In de periode 1985-1995 bedroeg de gemiddelde bevolkingstoename 0,4%. In 1995 was het geboortecijfer 13‰; de kindersterfte bedroeg in 1995 16 per 1000 levendgeborenen. Ongeveer 65% van de bevolking woont in steden; de grootste steden zijn: Warschau (1,64 miljoen inw.), Lódz (833 700), Kraków (745 100), Wroclaw (= Breslau; 642 330), Poznan (582 800) en Gdansk (463 060). Taal De officiële taal is het Pools; de minderheden spreken hun eigen talen. Religie Ongeveer 97% van de bevolking is rooms-katholiek; 1,5% behoort tot de Russisch-Orthodoxe Kerk; 0,5% is protestants, van wie de meeste lutheranen. Voorts zijn er ca. 80 000 oud-katholieken. Het aantal joden - in 1939 nog 10% van de bevolking - bedroeg in 1993 nog slechts 1300. De Rooms-Katholieke Kerk is georganiseerd in de aartsbisdommen Gniezno, Kraków, Poznan, Warschau en Wroclaw, plus twee aartsbisdommen buiten het Poolse grondgebied; Lwow en Vilnius, en 21 bisdommen. Primaat van Polen is de aartsbisschop van Warschau en Gniezno (het oudste bisdom). Tijdens het communistische regime bloeide de kerk tegen de verdrukking in. In 1950, 1956 en 1972 sloten kerk en staat overeenkomsten, waarbij de kerk het regime aanvaardde en de staat garanties gaf voor het kerkelijk bestuur en het katholieke onderwijs. Het bezoek van paus Johannes Paulus II aan zijn vaderland in juni 1979 versterkte de positie van de kerk ten opzichte van de overheid. In mei 1989 werd een nieuw akkoord bereikt, waarbij de kerk volledig wettelijk erkend werd. In het akkoord werden de onafhankelijkheid van de kerk en de vrijheid van godsdienst vastgelegd. Bovendien kreeg de kerk recht op eigen scholen en media.
|
Polen (officieel: Rzeczpospolita Polska = Poolse republiek) ,republiek in Centraal-Europa, 312 684 vierkante kilometer2 (1998 reëel), met 38 625 478 (2002 schatting) inw. (124 personen per vierkante kilometer (2002 schatting); hoofdstad: Warschau (Warszawa). Munteenheid is de zloty, onderverdeeld in 100 groszy. Nationale feestdagen zijn 3 mei, de dag waarop in 1791 de eerste grondwet werd aangenomen, en 11 november (stichting van het onafhankelijke Polen in 1918 ). Landschap Polen is een voornamelijk vlak laagland; 54% heeft een hoogte beneden 150 m, 37% een hoogte van 150 tot 300 m. Gebergten komen slechts aan de zuidgrenzen voor. Qua reliëf kan Polen in drie ongeveer oost-west verlopende gordels worden verdeeld, van noord naar zuid:
De bodem bestaat voor ca. 55% uit podzolbodems. Ten noorden van de lijn Lublin-Katowice-Wroclaw wordt dit bodemtype afgewisseld door alluviale bodems langs de waterlopen, kleine oppervlakten zeer vruchtbare zwarte veengronden en bruine bosbodems. Dit laatste bodemtype (in totaal 20% van de oppervlakte) komt ook ten zuiden van bovengenoemde lijn voor, waar het zich op löss heeft ontwikkeld. Naast de bruine bodem komen op de plateaus van Zuid-Polen nog rendzina's en tsjernozjoms (zwarte aarden) voor. Van de bodems bestaat 8% uit gebergtebodems, vnl. leem en zand. Rivieren en meren De meren bedekken ca. 1% van de oppervlakte van Polen. 9266 meren hebben een oppervlakte van meer dan 1 ha; hun totale oppervlakte bedraagt bijna 3200 km2. De grootste zijn het Sniardwymeer (109,7 km2) en het Mamrymeer (102,3 km2), beide in Mazoerië De meeste meren zijn postglaciaal van oorsprong en komen voor op de Pommerse, Mazoerische en Grootpoolse Meervlakten, alsook in de Kujawy. De rivieren wateren vrijwel alle af op de Oostzee. De stroomgebieden van de twee hoofdrivieren, de in zuidoost-noordwestelijke richting stromende Wisla (Weichsel) en Odra (Oder), beslaan 56% resp. 34% van de oppervlakte van Polen; 9% valt toe aan de stroomgebieden van de kustrivieren, die direct in de Oostzee stromen. De belangrijkste zijrivier van de Wisla is de Bug, die van de Odra de Warta. Door het regenregime varieert de waterhoogte sterk. De rivierstelsels van Wisla en Odra worden met elkaar verbonden door het Bydgoszczkanaal tussen de Brda, zijrivier van de Wisla, en de Notec, zijrivier van de Warta. Klimaat Het klimaat staat afwisselend onder invloed van Atlantische, oceanische en Aziatische, continentale luchtmassa's. Westenwinden overwegen over oostenwinden. De Atlantische invloed neemt naar het oosten toe af; dientengevolge valt er in het westen meer neerslag dan in het oosten. De neerslag bedraagt in de Karpaten en de Sudeten meer dan 800 mm per jaar; op de plateaus en meervlakten 600 tot 800 mm per jaar en in Centraal-Polen 450 mm. In de zomer (juni, juli, augustus) stijgt de temperatuur tot boven 15 °C; in de winter (december, januari, februari) daalt het kwik tot ver onder 0 °C. De laagste temperatuur werd in de middelgebergten gemeten: -42 °C; de hoogste in Neder-Silezië 40,2 °C). De gemiddelde julitemperatuur bedraagt 16 tot 19 °C; de gemiddelde januaritemperatuur varieert regionaal van -1 °C tot -6 °C. De duur van de vegetatieperiode (het aantal dagen met een gemiddelde temperatuur van boven 5 °C) varieert van 190 dagen in het noordoosten en de zuidelijke berggebieden tot 230 dagen in het westen en op de plateaus in het zuiden. Plantengroei De huidige vegetatie dateert vrijwel geheel van na de laatste ijstijd, met uitzondering van die van de Karpaten en het aangrenzende zuiden, waar de begroeiing nog uit het Tertiair stamt. In moerasgebieden en in de bergen treft men nog overblijfselen van de toendraflora uit de tussenijstijden aan. Door ontginningen sinds de 13de eeuw en door de beide wereldoorlogen ging veel bos verloren. Er resteert nog bos op ca. 27% van het grondgebied. Om een deel van de wouden in zijn natuurlijke staat te behouden werd een groot aantal nationale parken en reservaten gesticht. Het minst bosrijke is województwo (prov.) Lódz het meest bosrijk zijn Zielona Góra Koszalin en Rzeszów. Van de staatsbossen is ca. 80% naaldwoud (vnl. grove den en lariks); het overige gedeelte is loofwoud (vnl. eik, beuk en berk). Dierenwereld De dierenwereld is Midden-Europees van karakter met een aantal noordelijke elementen als de eland, terwijl Oost-Europese elementen als de vlaktebewonende siezel en soeslik hier hun westgrens bereiken. Het woud van Bialowieza op de grens van Polen en Wit-Rusland is wereldberoemd wegens de er vrij levende wisenten. De uitgestrekte Mazoerische meren zijn zeer belangrijk als broed- en pleisterplaats van waterwild (groot aantal broedende knobbelzwanen; kraanvogel en zwarte ooievaar zijn eveneens broedvogel). In het Tatragebergte op de grens met Tsjechoslowakije ligt een zich over beide landen uitstrekkend nationaal park met o.a. het grootst bekende gemzenras, een aantal bruine beren, wolven, lynxen en wilde katten; ook de alpenmarmot komt hier voor.
|
©2004, Mieczyslaw Kasprzyk
The rise to Power |
| Copyright © Poleninfo.net De jaren na 2001 werden gekenmerkt door grote corrupteschandalen bij de regeringspartijen, premier Leszek Miller moet verdwijnen omdat hij zelf bij het Orlen schandaal betrokken raakt en maakt plaats voor Marek Belka, welke de inmiddels zwaar beschadigde regering naar de verkiezingen in 2005 moet brengen. Ook zelf komt hij regelmatig onder vuur te liggen. Maart 2004, prominente SLD politici inclusief de voorzitter van de Sejm, Marek Borowski, richten een nieuwe partij op welke de naam “Socjaldemokracja Polska SDPL” krijgt. Dit werd tevens voor Miller de ultieme reden voor zijn ontslag. 1 mei 2004, eindelijk is het dan zover Polen is lid van de Europese Unie. Toch blijft een flink deel van de bevolking, hoofdzakelijk de ouderen en de bewoners van het platteland sceptisch tegenover de toetreding. De jongeren en de bewoners van de grote steden zien er allemaal meer heil in en geloven ook dat de Europese Unie meer voordeel zal brengen. 2 mei 2004, één dag na de Poolse toetreding treed Leszek Miller af. Mede door de vele corruptieschandalen en zijn bemoeienissen met het Rywin proces. Deze zaak werd onderzocht door een special parlementair comité. SLD kamerleden en ministers informeren hun partijleden dat er geheime onderzoekingen naar hen gaande zijn, ook in verband naar eventuele contacten met de georganiseerde misdaad. De steun voor de SLD daalt snel. De nieuwe premier is Marek Belka maar zijn nieuw kabinet krijgt niet het vertrouwen van de Sejm. Pogingen de Sejm een regering te laten vormen mislukken ook en 11 juni wordt Marek Belka door President Alexander Kwaśniewski aangesteld als premier. Eindelijk lukt het hem op 24 juni, in de derde en laatste poging, de steun en het vertrouwen van de Sejm te verkrijgen. 14 augustus sterft de Poolse schrijver en dichter Czesław Miłosz, in 1980 won hij de Nobelprijs voor de Literatuur, een veel gelezen en geprezen poëet is heengegaan. In de herfst van 2005 stemmen de Polen voor een nieuw parlement en een nieuwe president. Men verwacht dat de twee centrumrechtse partijen Prawo i Sprawiedliwość, PiS en Platforma Obywatelska, PO een coalitie zullen gaan vormen. Tijdens de hevige en bittere campagne waar ook op het privé vlak aanvallen niet uitbleven, lanceerde PiS een sterke aanval op de vrije markt voorstaande en in de polls voor staande PO. Nadat de verkiezingsuitslag bekend was, bleek dat deze aanval succesvol was geweest en won PiS met 27% van de PO met 24% tegen de parlementsverkiezingen. Coalitiegesprekken volgen, maar de bruutheid tijdens de campagne gebruikt door PiS en de gewilligheid richting de populistische partij Samoobrona staan het vormen van een stabiele regering in de weg en de PO besluit in de oppositie te gaan. PiS vormt een minderheidsregering onder de onbekende eerste minister Kazimierz Marcinkiewicz welke steun zoekt bij de kleinere Katholieke en boerenpartijen om toch te kunnen regeren. De verdwijnende regerende partij SLD haalt net 11% van de stemmen. Oktober 2005, de tweede ronde van de presidentsverkiezingen volgt hetzelfde script. De eerste favoriet Donald Tusk, leider van de PO zag zijn eerste plaats in de polls wegglijden en verliest met 46% tegen 54% van een van de controlerende tweeling van PiS, Lech Kaczyński. Beide verkiezingen blinken uit door hun lage opkomst. 40% komt opdagen in de parlement- en eerste ronde voor de presidentsverkiezingen, terwijl in de tweede ronde 51% komt opdagen. Dit illustreert de desillusie in de politiek en in het democratische proces in Polen, waarvoor de Polen eerder zo hard gevochten hebben, om deel uit te maken van een nieuwe Poolse tijd. Kort na het aantreden, neemt de nieuwe regering verstrekkende maatregelen. Het ministerie voor Vrouwenrechten, evenals de ministerspost wordt opgeheven. Tevens wordt het homoseksuelen mensen verboden nog langer les te geven op de Poolse scholen. De Polen gaan een moeilijke tijd tegemoet, met een regering, welke het vertrouwen zal moeten zien te winnen. Onderlinge twisten tussen de partijen zorgen ervoor dat PiS met een minderheidsregering gaat regeren. Op 23 december 2005 treedt Alexander Kwaśniewski af als president en wordt Lech Kacziński ingezworen als nieuwe president van Polen. Wie dacht dat er rust zou komen had het mis, PiS en PO slagen er niet in een meerderheid regering te vormen, speciaal omdat de PO vindt dat PiS té veel opeist van de belangrijke posten. Inmiddels heeft Warszawa nog steeds geen nieuwe burgemeester. Men verwacht vervroegde verkiezingen omdat men geen meerderheidsregering in elkaar kan draaien en het staatsbudget, waarschijnlijk té laat wordt ingediend. Eind januari sluiten PiS, Samoobrona en de LPR, tot ieders verbazing, voor één jaar een stabiliteitspact. Dit door toedoen van de controversiële pater Tadeusz Rydzyk directeur van de conservatieve radio Marya. Hoewel deze pater door het Vaticaan is gesommeerd zich verre van politieke bemoeienissen te houden, gaat de man eigenwijs verder. Velen vragen zich dan ook af waar dit zal eindigen. Al kort daarna ging het mis. PiS blijft echter zoeken en de roep om nieuwe verkiezingen wordt steeds luider. PiS wil het parlement ontbinden maar wordt tegengehouden door PO en een paar andere partijen. Toch zal er een oplossing moeten komen en PiS besluit te kijken met welke partijen zij een coalitie zouden kunnen vormen. Na lang aftasten en onderhandelen en na vele politieke valkuilen te hebben overwonnen, wordt op 27 april 2006 een coalitieakkoord ondertekend door PiS, Samoobrona en een afgescheiden deel van de Liga voor Poolse Families. Toch is de Poolse politiek niet uit de impasse gekomen, men komt namelijk 13 zetels te kort, mede veroorzaakt de Boeren partij (PSL) welke zich op het laatste moment terugtrekt. Donkere wolken verzamelen zich weer boven Warszawa en de kans op nieuwe verkiezingen is niet geweken. Ook eist Andrzej Lepper’s boerenpartij Samoobrona veel, namelijk 3 ministeries en een vice-premierschap voor Lepper zelf. Velen zien het probleem al komen en zijn er op tegen dat Lepper een dergelijke hoge post krijgt welke niet past bij zijn verleden. De populist Lepper is namelijk in het verleden meerdere malen met de Poolse justitie in aanraking geweest, onder anderen voor gewelddadige demonstraties en wegblokkades. Uiteindelijk claimt hij in ieder geval het ministerie van Landbouw. 28 april 2006-04-30 Stefan Meller minister van buitenlandse zaken, een integer mens en lid van Prawa i Sprawiedliwości (PiS) besluit per onmiddellijk af te treden omdat hij niet met de populist Lepper wil samenwerken omdat deze in het verleden gewelddadige protesten organiseerde en nu hoge posten in de nieuw te vormen overheid krijgt. Ondertussen zoekt PiS naarstig naar de overige 13 zetelkandidaten, velen vinden echter dat na het bezoek van Paus Benedictus XVI in mei 2006 er na het zomerreces nieuwe verkiezingen moeten komen. Deze 13 zetels worden uiteindelijke gevonden doordat de Ligia Polski Rodziny (LPR) van Roman Giertych zich in zijn geheel aansluit bij de coalitiepartijen. Roman Giertych wordt vice-premier en minister van Onderwijs. Andrzej Lepper van Samoobrona wordt ook vice-premier en minister van Landbouw. Toch herstelt dit de rust zich nog niet, hoewel het erop lijkt dat alles iets beter gaat onder de leiding van Premier Kazimierz Marcinkiewicz (PiS). Na slechts een korte tijd wordt de minister van financiën Zyta Gilowska door premier Kazimierz Marcinkiewicz gedwongen ontslag te nemen omdat een Hof van Onderzoek beschuldigingen tegen haar heeft als zou zij gelogen hebben over haar contacten met de communistische veiligheidsdienst. Later zal dit Hof elk onderzoek aangaande haar naast zich neerleggen omdat Zyta Gilowska geen openbaar persoon meer is en men alleen openbare personen kan aanklagen en berechten. Als opvolger draagt de regeringsleider Paweł Wojciechowski voor. Vanaf dat moment is het erg onrustig in de Poolse politiek met allerlei geruchten en beschuldigingen over en weer. Vrijdag 7 juli 2006 maakt Kazimierz Marcinkiewicz bekent dat hij na 8 maanden als premier zijn werk te hebben gedaan op 10 juli 2006 zal aftreden als premier en vanaf dat moment demissionair is. Men vermoedt dat dit ontslag is geforceerd omdat Kazimierz Marcinkiewicz en Jarosław Kaczyński de partijleider van PiS het niet met elkaar eens zijn aangaande de liberale koers welke de premier volgt en zijn gedane benoemingen. Prawa i Sprawiedliwości stelt de zeer conservatieve Jarosław Kaczyński kandidaat, welke op 10 juli 2006 deze functie zal aannemen. Tevens moet de nieuwe minister van financiën Paweł Wojciechowski zijn ontslag aanbieden van PiS. Wanneer zal de rust wederkeren? De opposities roepen inmiddels al om nieuwe verkiezingen. Naar boven |